6de Jaar. Nummer 55 ('299) Zondag 50 Augusti 1891. Lieve Jonkvrouw Trotschhart LIBERAAL WEEKBLAD VOOR 5 fr. voor de stad. AbonnementsprijsI r 5 fr 50 voor den buiten, PRIJS PER NUMMER: 10 CENTIEMEN. voorop betaalbaar. Men abonneert zich op alle postkantoren voor den buiten voor de stad, ten kantore van het blad, 10, Vooruitgangstraat 10, Aalst. HET ARRONDISSEMENT AALST. n Gewone, 15 centiemen Prijs dep AnnoncenJ Keklamen> 76 oenüemeu J per drukregel. Vonnissen op de dei de bladzijde, 1 frank. Men maakt melding van elk werk waarvan een exemplaar aan het blad gezonden wordt. Handschriften worden niet terug gezonden. Nee spe nee metu. AALST, 29 AUGUSTI. Buitenlandsch politiële overzicht. Holland. Hst nieuw liberaal minis terie dat het afgaande klerikaal bestuur vervangt zal als hoofdpunten van zijn programma nemen uitbreiding van stemrechten invoering van den persoon lijken dienstplicht. Frankrijk. Al de fransche dagbla den juichen over de heerlijke ontvanst welke er aan het Fransch eskader in Engeland is te beurt gevallen. Zoo deze wederzijdsche blijken van vriendschap en genegenheid den algemeenen vrede bevoordeelingen moeten, zijn wij geluk kig in deze uitboezeming te mogen dee- len. Duilschland. De keizer, thans vol komen hersteld, heeft zijn bedrijvig leven weer hernomen reizen, wapen oefening en officieelo bezoeken volgen elkander zonder verpozen op. Het russisch verbod van koren uit te voeren doet de prijzen van hel brood merkelijk stijgen de verhooging beloopt meer dan 20 per honderd. Rusland. De hongersnood is in som mige distrikten zoo schrikkelijk gewor den dat er in verscheidene plaatsen opstand is uitgeborsten. De boeren van de provincie Witebsk hebben de wag gons van den trein met graan geladen tegengehouden en afgelost. Troepen zijn tot beteugeling gezonden. Cliili. Het leger van het gouverne ment heeft deze week verscheidene ge vechten tegen de oproerige troepen geleverd. Volgens de laatste berichten zou voorzitter Balmaceda overwinnaar zijn, en zijne vijanden teenemaal ver slagen en tot overgave zonder voor waarden genoodzaakt hebben. De zondagsche spoorwegrampen. Indien sommige artikelen der clerica- le gazetten enkelijk belachelijk waren, dan zou er geen groot kwaad bij zijn meer wanneer zij leerstelsels bevatten die door hunne ongerijmdheid te veel tegen het hoofd springen, dan gaat het over zijn hout. Zulk artikel geeft De Denderbode van verleden zondag. De spoorwegongelukken die 's zon dags voorvallen, zijn vreeselijke uit werksels der wrake Gods, die niet wil dat men op dien rustdag eene reis per spoor onderneme. Zoo leert de clericale gazet en om dit te bewijzen haalt de ge zalfde schrijver van het artikel, ver scheidene spoorwegrampen aan, welke 's zondags voorgevallen zijn De ramp 16. Vrij naar H Engelsch. KAPITTEL IX. HAAR VADER BEMINDE MIJ. O, mijnheer Pembroke, ik kende uw' vader zoo wel zegde sir John, dat het mij voor komt dat gij en ik oude kennissen zijn... Me juffer Lyle heeft u zeker wel verteld... Mejuffer Lyle heeft mij gezegd, dat gij en mijn vader te zamen het werkende leven begon nen zijt zegde Christiaan, (De samenspraak had plaats in de biblio theek van de Hal, alwaar sir John Christiaan Pembroke hem gebracht had, terwijl hij Came ron, met nog iemand anders, bij de dames had gelaten Heeft mejufvrouw Lyle u ook niet gezegd dat uw vaderen ik eens, beide, naar hare hand hebben gestaan NietWel, toch is dat zoo, en niet ik, maar wel uw vader was de beguns tigde. Daarom waren we niet te minder goede vrienden. Uw vader was een man met veel kennis, maar met weinig eerzucht. Ik -wel, ik bezat weinig kennis en veel eerzucht. Uw vader bad zijnen weg moeten maken hij kon, ware hij maar wat eerzuchtig geweest. Ja, mijn vader stond in aanzien als inge nieur zei Christiaan. Zeker, en zeer goed had hij zich in Enge land kunnen doen gelden nooit had hij daar toe naar Japan moeten gaan. van St. Mandé met nog een ander onge luk in Frankrijk, die van Mönchenstein, van Freiburg en van de Taybrug in den vreemde, en die van Groenendaal bij ons. In ons gebenedijd België staat event- wel een godvreezend minister aan het hoofd der ijzerenwegen, die de zondag- rust zoo ver op de openbare diensten toepast, dat er bijna geen beambten op die dagen meer in uienst zijn. Waarom die rampen dan Wil Jeeseken Peereboom bestraffen omdat hij niet alles radikaal afschaft of wel is het de schuld van het onvol doend personeel of van het slecht ma teriaal Wat er ook van zij de spoorwegram pen die 's zondags voorvallen zijn een uitwerksel der wrake Gods, omdat de reizigers den dag des Heeren ontheili gen zoo ten minste beweert het artikel van ons sakristijorgaan. Wat aardige God maakt de gezalfde schrijver toch van den God der Christe nen. Hij, de bestuurder van al wat bestaat die zelfs niet gedoogt dat er een bladje van de boomen valt buiten zijnen wil hij laat toe dat de reizigers zich naar de statie begeven,dat zij plaats nemen in de treinen en dan wanneer er niet een meer ontvluchten kan, neemt hij er zijn vermaak in, de wagens te doen verbrijzelen, de reizigers armen en beenen te breken, te pletteren als vijgen of tot kipkap te malen. En dit uit lou tere wraak, een gevoel dat hier op aarde zelfs zeer laakbaar is, ja, onweerdig van den mensch verklaard wordt. Christus, de zoon Gods koesterde nogtans zulke wraakzuchtige gevoelens niet want deze leerde wanneer men u op eene wang slaat, biedt dan de andere aan. Maar is het wel zeker dat al de ver ongelukten bij de spoorwegrampen van 's zondags, hunne christelijke plichten niet volbracht hadden Hadden zij 's morgens de mis niet bijgewoond Heeft God dan soms zijn wraak niet uit gewerkt op onschuldigen, wat eene on vergeeflijke onrechtveerdigheid zou zijn Het was hem nogtans zoo gemakkelijk die schrikkelike straf van de onschul dige slachtoffers af te weren. Hij wist op voorhand, dat de rampen zouden plaats grijpen welnu hij had die personen maar eene lichte onpasselijkheid over- tezenden, een zweerke op hunne voeten doen te voorschijn komen of hunne eksteroogen zeer sterk te doen steken, om ze te beletten, zich dien dag, naar de statie te begeven. En hij heeft dit zoo gemakkelijk middel niet gebruikt hij zag ze liever onder zijne oogen in Waarom zou men zich moeite geren voor iets dat men niet waardeert vroeg Chris tiaan. Eene zeer kiesche vraag Ik veronderstel dat men van mij zegt, dat ik slaagdein al mijne ondernemingen Ja, mejuffer Lyle heeft mij dat gezegd. In zekeren zin is dat ook waar. In mijne eerste jeugd was ik een weinigje teleurgesteld, en... za; het u niet verontwaardigen indien ik u zeg, dat ik voortgestuwd werd door een gevoel van ijverzucht jegens uwen vader Ik wil hem eens toonen,, zegde ik, waartoe ik bekwaam ben en ik ging rap vooruit. Ik waagde mij op het groote veld der ijzeren wegen en der finantiën. Ik trouwde voor geld. Mijne vrouw is sedert lang overleden maar mijne dochter heeft hare plaats ingenomen. Wat zegt gij van mijne dochter Bevalt zij u Zij bevalt iedereen zegde Christiaan. Voor mij is zij de volmaaktheid zelve. Zij gelijkt mij, ook zij zal eerzuchtig zijn zoohaast zij de wereld zal gezien hebben. Nu, van de fortuin mijner vrouw heb ik een goed gebruik gemaakt. Ik werd lid van 't Lagerhuis en ben tegenwoordig Baronnet. Dat is mij niet genoeg. Nog twee dingen betracht ik. Ik moet in het Hoogerhuis in het Huis der Lords komen en, als de eerste stap daartoe, moet ik van de fatsoenlijke, van de elegante wereld zijn. Maar gij verkeert reeds in de elegante wereld zegde Christiaan. In, ja, maar ik zegde van de elegante wereld. Gij ziet het verschil. Ja, mijnheer Pembroke,aan den zoon van mijn ouden vriend durf ik het wel bekennen ik ben in de fat soenlijke wereld, niet van. Doch ik wil en zal er komen. Mijne dochter beeft talent en mis schien kan zij iemand trouwen die in en van stukken rijden. Brrr Wat wreedaard. En de schuldigen kon hij insgelijks redden, «hij die de dood der zondaars niet wil, maar wel dat zij zich bekeeren en beteren». Een hevige schok, eenen buil op het hoofd, gevoegd bij eene innige werking der gratie, ware immers voldoende geweest om de plichtigen tot inkeer te brengen en er plichbetrach- tende christenen van te maken. Men ziet dus wat ongerijmdheden men in de clericale bladen de goedjons- tige lezers opdischt. Wij verstaan dat de gezalfde schiijvers verplicht zijn hunne goede schapen in de volstrekste onnoozelheid te houden, maar hun lee- ren dat God met wraakzuchtige gevoe lens bezield is en zijn vermaak schept in 's zondags de treinen te doen ontrig- gelen, dat is wat te grof. De koolnijverheid te Luik. M. L. Timmerhans, bestuurder der mijnen, heeft zijn jaarlijksch verslag uitgegeven over den staat der nijverheid inde provincie Luik, gedurende het dienstjaar 1890. De verschillende minerale en metallurgieke nijverheden worden opvolgentlijk overzien. De uitslagen der koolexploitatie zijn bijzon der merkwaardig de voortbrengst der kool mijnen overtreft diegene van het vorige jaar slechts met twee ten honderd. Maar de totale waarde van de kolen heeft de som bereikt van 71,197,520 fr. dat is 22,478,400 fr. of 46,2 ten honderd meer dan de waarde van het vorige jaar. Deze overgroote vermeerdering bedraagt een verschil van fr. 4,20 per ton. Slechts tweemaal, in 1863 en in 1874, werd die prijs overtroffen. Om nog een beter gedacht te geven van de overgroote winst, welke de koolmijnen gedu rende het laatste jaar afgeworpen hebben, dient gezegd dat deze winst alléén 802,503 francs meer bedraagt dan de gezamenlijke winst der veertien voorgaande jaren. De oorzaken van dezen uitslag zijn veelvul dig gedeeltelijk is hij te danken aan de verbe tering der algemeene voorwaarden der ontgin ningen, voortspruitende en uit de vermeerde- r ng der voorbrengst èn uit de grootere samen trekking der werken, en ook naar men zegt, uit de verbetering der werktuigen en der arbeidregeling. Nochtans, indien de winsten zoo bijzonder groot waren voor de aandeelhou ders,zooveel in éen jaar als in de veertien laatste jaren te samen, -is dit'het geval niet geweest met de werklieden, wier loon niet mer kelijk werd verhoogd. Dit feit bewijst eens te meer, hoe verkeerd het is te beweren, dat de werklieden met het capitaal, het goede en slechte wedervaren der zaken deelon. Het slechte, ja het goede, neen De zucht naar het bewind. Aan het bewind blijven, zoolang mo gelijk ziedaar de eenige droom der cleri- calen. Daarvoor zouden zij, desnoodig, God verloochenen en den duivel aanbidden. Wij vinden van die gretigheid en be geerlijkheid, naar het behoud van het bewind, een sprekend bewijs, ia de re de fatsoenlijke wereld is. Gij ziet hoe eerzuch tig ik ben. Ik denk dat men hier in Engeland eer zucht moet hebben antwoordde C.iristiaan, en hij berouwde het ooit in een land te zijn ge komen alwaar het niet genoeg is in de fatsoen lijke wereld te zijn indien men niet van de fatsoenlijke wereld is. Dat zult gij ondervinden. Het is niet meer genoeg kortweg edelman te zijn hertogen en graven zijn werkzaam in het Hooger of in het Lagerhuis, en de jongere zoons zijn in den handel, in de financiën, enz. Het verheugt mij zulks te hooren zegde Christiaan voornemende Nath Cramp met deze bewijsvoering bot te stellen. In het salon aldus ging sir John voort is een jong heer gezeten, Ronald Vidal, de jongste zoon van Graaf Paladijn, uit eene oude normandische familie gij zult hem straks zien en die schijnt veel natuurlijken aanleg voor groote financieële zaken te hebben. Hij heeft geld noodig, maar hij is van de elegante wereld. Ik heb geld doch van die wereld ben ik niet... Dit brengt mij terug tot onze eigene zaken. En gij, wat doet gij Ik zou mij ingenieur van ijzeren wegen kunnen noemen maar dat hier in Engeland te zijn, bevalt mij niet. Ik denk terug te keeren naar Japan. O, daar spreken wij later over Misschien wel zal ik u raad en daad kunnen geven. Aan zie mij als uw vriend en raadpleeg mij zonder vr es... De zoon van uwen vader heeft recht op mijne vriendschap. En nu genoeg voor heden hft overige bespreken wij te Londen... Willen wij thans madame Zeegrave en Marie gaan vinden Alzoo had sir John met de grootste vriende lijkheid aan onzen held de overtuiging gegeven devoering, welk M. de baron de Coninck van Merckem op 19 Oogst in den Senaat uitsprak. Op hevige wijze klaagde hij over de vele millioenen, die alweer voor de Maasforten werden gevraagd gaarne zou hij, antimilitarist, tegen de gevraag de credieten gesteml hebben, maar... hij was bang voor eene ministerieele ciisis. Men heeft ons, wel is waar, gezegd, ging hij voort, dat wij tegen de credie ten van de Maas mochten stemmendoch dat is feitelijk onmogelijkwant het ver werpen der crpdieten zou het aftreden van den minister van oorlog en waarschijnlijk van gansch het kabinet voor gevolg hebben. Daf ware V begin eener ministerieele crisis, gevolgd door de ontbinding der Kamers en den terugkeer onzer tegenstre vers aan het bewind (gemor, rechts), want in geen geval zou de Kroon een kabinet aanvaarden hetwelk tde krijgslasten zou verminderen en de versterkingen der Maas staken. In die voorwaarden is het duidelijk dat wij zedelijk verbonden zijn. We zijn het slachtoffer van hetgene mei? ge woonlijk de politiek van 't mes op de keel noemt. 't Is dus alleen uit vrees voor het ver lies van het bewind, dat M. De Coninck en met hem meest al zijne klerikale col- legas,voorde gevraagde millioenen ja hebben geknikt. Voorgaande beteekent dus Waren de liberalen aan het roer, dan zouden wij tegen stemmen, maar nu stemmen wij voor omdat de ministers clericalen zijn. Welke rechtzinnige, welke verhevene politiek niet waar Nogtans gelooven wij niet, dat MM. Beernaert en C°, eer en waardigheid ge noeg zouden bezitten om van het niet stemmen der millioenen voor de Maas forten eene kabinetskwestie te maken en daarom hun ontslag te geven. Het ministerie was voor het invoeren van den persoonlijken dienstplicht, de Kamer verwierp hem en de ministers bleven ministers. Langs den anderen kant waren zij tegen het belasten van vee en vleesch en de Kamers beslisten, ondanks de mi nisters, dat het vleesch en het vee zou den belast worden. Dit belette alweer niet, dat de heeren Beernaert en consoorten hunne porte- foelies krampachtig onder hunnen arm hielden en deden alsof er niets gebeurd ware. M. de Conink mocht dan ook heel gerust tegen de Maasforten stemmen hij moest niet bang zijn de huidige dat, als hij in het diepste geheim zijns harten aan zijne dochter dacht, hij zich plichtig maak te aan de grofste ongerijmdheid. Beide kwamen aan de deur van het salon alwaar zij de klanken van muziek hoorden. Nog sprak sir John in de vriendelijkste ver trouwelijkheid met Christiaan, wanneer hij aan de deur van het salon zijnen arm uit Chns- tiaan'strok en zijne gewone koele stijve hou ding hernam. Het was als of hij de vriendschap die hij Christiaan toedroeg niet in het openbaar wilde tentoonstellen. De jonge heer Ronald Vidal zat aan de piano. Madame Zeegrave en Marie stonden dichtbij. Met den rug tegen den schoorsteen geleund, zag er kapitein Cameron uit alsof hij genoeg had van muziek. Toen sir John en Christiaan binnenkwamen, hield Ronald Vidal met spelen op en draaide zich om op zijnen pianostoel. Het was een schoone jongeling met geel haar en een zacht gelaat. Hij droeg een langen knevel en geenen baard. Al is het geen gebruik riep Marie, zoo dra haar ^ader met Christiaan binnenkwam toch ga ik een paar voorstellingen doen. Mijn heer Vidal, mijnheer Christiaan, ik heb de eer u aan elkander voor te stellen... Mijnheer Pem broke heeft lang in Japan verbleven, en hij kent al de afschuwelijke dingen die gij ons wil- detdoen bewonderen, aan madame Zeegrave en mij. Oh, ik bemin al de japaneesche dingen riep madame Zeegrave. Niet alle, natuurlijk, want, gelijk Marie zegde, er zijn afschuwelijke bij maar wij hoeven het afschuwelijke niet te beminnen, wij mogen ons aan het schoone houden. Bij voorbeeld, de kleuren van dezen waaier, kan er iets schooners gevonden wor den ministers zijn geene personen die uit eigen beweging weggaan. Zij zijn van die soort van menschen, welke men moet wegstampen, om er van af te kunnen geraken en die, als men hen langs de deur uitwerpt, weer langs het venster en zoo noodig langs het muizegat lerug binnen kruipen. Onrechtstreeksche belastingen. Minister Beernaert heeft er eeu handje van om in 't leêr te snijden van de kleine renteniers en van de burgers en werklieden die 't geluk hebben eenige centen te kunnen ter zijde leg gen. Door de omkeering der, Staatsrente en de vermindering van den j aarlij kschen intrest, hebben zij reeds hun inkomen zien verminde ren. Daarmeê ontkomen zij het niet. Wij hebben reeds gemeld dat te rekenen van 1 januari 1892 de kapitalen van meer dan 3000 fr. in da Staatsspaarkas gestort, maar twee ten honderd in plaats van drij per honderd zullen opbren gen. t Zijn weeral de kleine renteniers, burgers en werklieden die alleen den weg van de spaarkas kennen die door dezen maatregel getroffen worden. Deze maatregel is des te hatelijker aange zien minister Beernaert en heel ^ijne pers ge durig aan 't stoefen zijn over de millioenen bonis van de Staatskas. Waarom moet men dan zooveel brave men schen een derde van het inkomen hunner spaarpenningen aftrekken De kloosters. De paters en nonen hebben twee hoe danigheden, die nochtans schijnen on- vereenigbaar te zijn burgers en reli gieus. Als religieus zijn ze dood voor de we* reld als burgers maken ze nog volop deel van de wereld, zoowel als wij en onze lezers. Ze zijn dus dood en levend Dat schijnt wonderlijk en magbijkana mirakel heeten, niet waar Maar wat verwondering moet baren, is het voordeel, dat die dubbele toestand van dood en leven aanbrengen zal. Opgelet Broeders en zusters zijn dood voor alle wereldsche vermaken, voor elke we- reldsche gehechtheid,zij leven een enge lenleven en wachten clat de deuren van den hemel hen wijd worden opengezet, en dat ze plaats mogen nemen tusschen de engelen en de aartsengelen. Ziedaar het voordeel van de dood. Nu de profijten van het leven. De paters zijn burgers, de nonnen zijn burgeressen. Komt eene nalatenschap opdagen, waarvan ze kunnen erven, dan worden ze levend, springlevend, alhoewel ze dood zijn. Dat is niet japansesch zegde Christiaan aan wien de dame deu waaier toonde dat werd nooit in Japan gemaakt. O, ja wel, dat is japaneesch werk zegde mijnheer Vidal. Christiaan schudde het hoofd Dat ding is nooit in Japan geweest, ten ware er iemand mee naar toe was gegaan en het weer terug had gebracht. Laat mij het ding ook eens zien, zegde Cameron. Wel, natuurlijk dat is niet japa neesch ten ware het Palais Royal in Japan stonde. Eh Vidal, is dat al uwe ken nis Mi jnheer Vidal onttrok zich aan het gesprek; en Marie ter zijde nemende, begon hij haar uitleggingen te geven over de muziek van Wagner. Hij bezat inderdaad velerlei kennis sen, maar geen punt achtte hij der moeite waard besproken te worden Bijzonderlijk met dames wist hij goed om te gaan Door zijn gees tig en aangenaam gepraat en zijne hoffelijke manieren wist hij haar te behagenHij speelde goed op de piano en kon goed zingen, en dweepte met de groote toonzetters van den tijd. Aan de dames wist hij te zeggen hoe hunne kleederen moesten gemaakt zijn, hoe de kleu ren best overeenkwamen, en wat bloemen zij op hunnen hoed moesten dragen. Met minachting sloeg Christiaan hem gade hij beschouwde hem reeds als een kleingeestig mensch. Doch Christiaan was mis in zijn oor deel. Ronald Vidal was niet kleingeestig. Deze jongeling, met zijne oppervlakkige manieren, was wezenlijk zeer vernuftig. In alles wat hij zegde legde hij een diepen ernstzelfs als hij de dames onderhield over de kleur van hare kleederen, over linten en bloemen, was dat altijd met het oog op de regels van de kuasti DE DENDERGALM

Digitaal krantenarchief - Stadsarchief Aalst

De Dendergalm | 1891 | | pagina 1