"de voorpost praatte met POLIET SEDEYN De Voorpost - 3-2-1978 - 17 Wie Poliet niet kent, kan er hier nog iets bij leren: de geestesgesteldheid van een echte Olsjteneer, hoe hij dénkt en reageert. Wie Poliet echter wel kent, zal misschien nog eventjes glimlachen met zijn anekdotes die hij alleen op zijn eigen specifieke manier weet te vertellen. En zelfs al heb je ze al gehoord, toch blijven ze je boeien om de manier waarop hij ze naar voor kan brengen. Hij, dat is: SEDEYN Hippoliet, geboren te Aalst op 16 november 1905. Dat is ook de man die voorgoed zijn hart verloren heeft aan het toneel, zelfs in zoverre dat men hem er soms zou van verdenken dat hij ook in het dagelijkse leven het akteren niet laten kan. Nu hij niet meer op de planken staat, SDeelt HiDDOliet noa elke dag de rol van «Poliet», de man met 't blijde humeur, het type van de immer-olijke en altijd-zwanzende filosoferende Olsjteneer. Daar Poliet een mens is die men best kan meemaken tussen pot en pint, lokten we hem dan ook op neutraal terrein en tussen diezelfde pot en diezelfde pint peuterden we van hem het volgende vraaggesprek los. En we hopen u allen te kunnen aantonen dat Poliet nog iets anders kan vertellen dan zijn stereotiepe mop van: nu moet ik naar huis, want mijn schoonmoeder hangt daar nog over de wasdraad... V.P.: Nonkel Poliet, want zo noem ik je 't liefst, we gaan nu onze vragen eens anders dan anders stellen. Wat zijn je plannen voor de toekomst? P.: Plannen voor de toekomst heb ik hoegenaamd niet meer. Alleen beginnen met afscheid nemen, dat staat nog voor de boeg. V.P.: Atscheid nemen? Behou dens de Draeckenieren, ben je dan soms nog lid van andere verenigingen waar je afscheid zou moeten van nemen? P.: Nee. ik ben alleen nog lid van de Draeckenieren, maar daar ben ik nog niet van zins van weg te gaan, dat niet. V.P.: Welke indruk maakt dat op jou, te weten dat er een in terview met jou in de Voorpost zal komen? P.: Ja, als ik weet dat het de waarheid zal zijn, dan kan me dat niet veel schelen, maar 't moet wel de waarheid zijn. V.P.: We zullen alleen publice ren wat je zelf gezegd hebt, daar kan je op aan. P.Allabonheur. dan is 't goed. V.P.i Vëïiëi óns nu iets over je jeugd. Heb ik het mis als ik zeg dat je geboren bent in het Sint Jorisstraatje? P.: Nee, daar ben ik niet gebo ren. daar heb ik echter wel een hele tijd met mijn ouders ge woond. Maar feitelijk ben ik ge boren in de Kattestraat. Ik was de jongste van veertien kinde ren. Mijn vader was Ving Se- deyn en toen indertijd in het Gele Boekje van de Draecke nieren ook sprake was van een hele resem oude café's die nu allemaal verdwenen zijn, was daar ook «De Kleine Winst - Es- taminet» bij, in het Sint Joris straatje. Maar mijn geboorte huis was feitelijk in de Katte straat, ongeveer rechtover het oude, nu ook verdwenen café «De Boerenhandel». Bij ons was het daar ook café en langs de andere kant viswinkel. Met al die kinderen rond haar rok ken moet mijn moeder het in dertijd zeker niet gemakkelijk gehad hebben Daarom maakte ze dan ook elke avond vierentwintig kloddememmen gereed: een stuk brood en een klontje suiker. Dat allemaal goed overknabbeld in een stuk van een oude slip en daar een sajetten draadje rond. Die la gen elke avond naast haar bed, tegen de tijd dat er een van de snotters zijn keelgat openzette. Zo komt het dat bij ons al de kinderen dikke blazende kaken hadden - en moeder was met de vitamienen weg Nu trek ken de kinderen allemaal wind binnen, met al die latex. Eerlijk waar, bij mij thuis is er nooit armoede tekort geweest... Er waren daar in de Kattestraat nog zo veel van die winkels. Zo herinner ik me nog het huis Van Vaerenbergh wa - dagge - zegt langs de eene kant verkochten ze jenever en langs de andere kant begrafe- niskronen, dat ging in die tijd goed samen en 't was een arti kel dat altijd goed verkocht heeft. Daarom zijn we verhuisd naar een andere viswinkel, achter 't belfort. Waar nu het huis De Winter is. Mijn vader ging elke dag regelmatig een bezoek brengen bij zijn buur man. Want op de hoek van de Kattestraat was daar het wijn huis. Men zou kunnen zeggen dat hij zich daar «aan den drank begeven heeft» zoals men dat in Aalst zegt. 't Is maar om te lachen zulle En om dan in de sfeer te blijven zijn mijn ouders «De Kleine Winst» gaan openhouden V.P.: Waar ben je naar school geweest? P.:Tijdensde oorlogvan 14-18 ben ik naar school geweest in de Sint-Camielschool. Bij «Siske-Fiks». Daar kregen we allemaal een kroes rond onze nek voor de bedeling van de Ik ben eigenlijk met toneel be gonnen toen ik pas twaalf jaar was. Dat was nog in de Zout- straat, in het toenmalige lokaal van de Daensisten. Ik speelde daar voor mijn debuut een klein rolletje in het stuk «Van één tot duizend», onder de regie van Fons Van Acker. Onderandere nog met Toontje Van den Bos sche. Die is echter al overle den, gelijk Fons Van Acker ook. Die speelde dan later nog re gisseur bij de «Catharinisten». V.P.: Hoe was de naam van die toneelkring waar je voor het eerst debuteerde? P.: Dat was de toneelbond van de Daensisten en die heette Polïel Sedeyn mei ons Meh pikkels of ajontjesman Dolf Boel (SJ) heb meermalen gezegd: «hij hangt daar weeral, die vo- gel;we zullen weer eens moe ten optreden.» Dus aan dekors hadden ze nooit geld moeten uitgeven - en nu dat er sprake was dat we eens een souper zouden krijgen, moesten we dan nog zelf de kosten beta len... Elf frank, in die tijd was dat veel geld. En zo is er ruzie in 't straatje gekomen en is de vroegere «Schakel» uiteenge vallen. Gelijk in de «Fanfare dër Sint Jansvrienden», maar daar ging het over een kom «pansj- kes». En wij stonden daar als werkloze akteurs. Dan is Paul Rumes, de toenmalige presi dent van het «Land van Riem» me komen opzoeken. En om me toch te lijmen speelden ze in 1936, nog in de oude stads schouwburg op de Botermarkt, maar weer eens «Seppl» V.P.: En wat was dan je slechtse herinnering? P.; Slechte herinneringen? Daar spreken we niet over, die vergeten we! V.P.: Hoe sta je tegenover de fusie, ben je daar voor of ben je daar tegen? P.: Ik vind dat goed. Ik zie toch zo graag dat de mensen me kaar beminnen. Van binnen of van buiten de stad. 't zijn alle maal mijn vrienden. V.P.: Eens over iets anders ge sproken: wijlen uw vriend Gust Van der Stock heeft indertijd verteld dat hij nog steeds in Sint-Maarten geloofde Ge loof jij ook nog in Sint Maarten? P.: In sint-Maarten wel, maar in Sinterklaas niet. Die is afge schaft en gaat doppen. En daarbij, dat was er eene voor de rijke mensen. V.P.Hoe sta je tegenover Kar naval? Ben je een echte Kar- navalist? P.: Karnaval? Dat wordt een gans jaar gevierd. Het moet daarom geen Karnaval zijn om iemand eens goed zijn zalig heid te geven. V.P.: Maar op die bepaalde karnavaldagen, doe je dan iets speciaals? P.: Nu niet meer, maar ik ben zo eens op stap gegaan met mijn draaiorgeltje. Je moet we ten dat ik nog het originele draaiorgeltje van Angeliek bezit en dat is god-zij-dank niet in de brand gebleven die me zo ge teisterd heeft. Dat stond op mijn achterkamer en is nog gered geworden. Schoon jong. Met de «Klokken van Corneville» en de walsen van «Faust». Op ne zekere Karnaval heb ik me sa men met Roger en Lucien eens verkleed omdat ze me ge vraagd hadden: «laat ons eens «tèrren». En wij op weg. Eerst en vooral bij Dorus aan de Pa lace binnen en me daar een stuk ijzerdraad gevraagd. Ik kreeg dat stuk ijzerdraad, er een haak aan geplooid en om mijn middel vastgemaakt. Een rol w.c. papier werd op afzon derlijke briefjes getrokken en over die haak geschoven. En we stapten verder. Café in en café uit. Ik draaide mijn orgeltje en Ronpr ning mol Wg rond. Daarna begon ik met die roze w.c. papiertjes: «Madam meken of meneer, trek ne keer uw geluk. Uw verleden, heden en toekomst staat er op». «Wat kost dat, zotinne?». Want ik was natuurlijk verkleed in Angeliek. Daarna draaide ik, om de mensen te bedanken die allemaal iets in de kroes van Ro ger gelegd hadden, nog 'n bedankplaatje af. «Hela, zotin ne, kom ne keer hier, er staat niets op dat papiertje op!» - «Goedemaar madam, ge moet dat thuis in de melk leggen en dan naar 't licht houden, ge zult ne keer zien wat er allemaal op staat!» - Ha,"en weet je hoeveel we ontvangen hebben op die enkele uurtjes? Over de drie duizend frank. Die avond heb ben we geen dorst geleden. V.P.: Daarstraks hadden we het over pekelharing en boon tjes, kan je me ook zeggen wat je het liefst eet? P.: Oh, ik eet alles als 't me smaakt. Maar ne goeie stin kendekaas of ne pikante her- vekaas, dat ken ik me goed la ten smaken. En 's morgens- vroeg op de nuchtere maag een goed maatje, dat laat zich smaken. En 't is gezond. Maar ik eet alles wat me smaakt. Ik heb een maag gelijk een vrou wenkous. V.P.: Ik weet dat je regelmatig de Voorpost leest. Wat vind je daar zo van? P.: De Voorpost? Ja, mijn vrouw en ik lezen regelmatig de Voorpost. Maar wat wij altijd 't eerst lezen dat zijn die pikkels en ajontjes. Daar kan mijn vrouw nog eens goed mee la chen. Maar alle bij alles, de Voorpost is een tof. V.P.: Danke! Maar nu zou ik je toch nog willen vragen welke mens je in je leven het meest bewonderd hebt. Naarwie heb je ooit het meest opgekeken? P.: Tja, op welk gebied? Mag dat ook op politiek gebied zijn? V.P.: Jazeker, op om het even welk gebied. v»Si, SlS ii\ inê uan iocn op politiek gebied mag begeven zou ik antwoorden: de men: waar ik ooit het meeste respel voor gekoesterd heb en waar het meest naar opgekèke heb. dat was Joris van Seve ren! Ik heb die nog persoonlij gekend. Ik zou er zelfs nog wil len aan toevoegen dat ik doe hem zelf nog gedekoreerd ber geworden. V.P.: Als ik je zou vragen aan de lezers van de Voorpost een boodschap mee te geven, wat zou je dan als raad kunnen ge ven? P.: Als ik één raad zou mogen geven: zoveel mogelijk lachen. Lachen is een waarborg voor een gezond leven. Alle dagen lachen, want een dag datje niet gelachen hebt, is een verloren dag. en alle dagen, op de nuch tere maag een raap eten... en nu ga ik naar huis. want mijn schoonmoeder... A.B Mei '40. gevlucht naar Lourdes voor de Duitsers. Grootmoeder, tante, moeder, vader. Willem. Rosa en Dolf nijn vader hat het riraan hom non chocolademelk van echt water, met twee koeken. Er zaten in de klas kinderen van mensen die smokkelden en die hadden die koeken niet nodig, ze waren toch al «overboeft». En die koeken kregen wij dan ook. Dat heeft ons heel de duur van de oorlog rechtgehouden. Ik moet zeggen dat ik daarna nog een hele tijd zondagschool gelopen heb, ook bij «Siske-Fiks». En ook tijdens de oorlog heb ik mijn plechtige kommunie ge daan. Mijn moeder had het al tijd maar uitgesteld, in de hoop dat daartegen de oorlog mis schien zou gedaan geweest zijn. Maar 't moest er toch eens van komen en zo is het dat ik al dertien was toen ik eindelijk mijn kommunie mocht doen. Mijn vader was intussen reizi ger in schoenen geworden. Voor mijn kommunie kreeg ik van hem een paar splinter nieuwe bottienen, zo met knoopjes opzij. Moeder droeg het bottienenhaakje in haar sa- coche. Maar nog gezeod; een paar reserveschoenen mee, want met die zolen in kar ton ge kunt nooit weten. En mijn - ziele - goeisj, ik kwam van de kommuniebank zonder zolen terug. Nog een geluk dat moeder die reserveschoenen meegebracht had. want we moesten nog de familie «doen». En overal waar we binnenkwamen ging dat van: «oeioei, zo schoon!». Maar ze keken allemaal naar mijn moe der want die droeg voor de ge legenheid ne grote nieuwe hoed Mij bekeken ze niet eens, tenandere ze konden toch mijn gezicht niet zien. Ik droeg zo een van die hoge cols en ne grote witte strik die gans mijn gezicht wegstak. En als ik ergens ,iets gekregen had vroeg moeder direkt bij 't bui tenkomen: «wat hebben ze u daar gedraaid? Kom geef dat rap hier, ge zoudt het nog kun nen verliezen.» En 't was direkt de kabas in! Maar 'k ben nog vergeten te vertellen dat ik de dag vóór m'n kommunie bij Georgken den barbier moest gaan. Die moest mijn haar in pampelotten draai en, met staartenbier. Dat had mijn moeder zo beslist en reeds op voorhand met de barbier af gesproken. Maar Georgken was dat ondertussen natuurlijk al vergeten en toen hij mij vroeg hoe hij mijn haar moest doen. zei ik: «alles rats af!». Mijn moeder kreeg bijna nen attak als ze me daar kwam halen. Maar 'k moet zeggen: ik had sukses in de kerk, iedereen heeft naar mij gekeken. V.P.: Is het in het Sint Joris straatje dat je kennis gemaakt hebt met je vrouw? P.: Ja. Erwas soms al eens een klein woordeken bij ons thuis en om uit dat milieu te geraken heb ik er niets beter op gevon den dan maar te trouwen. Al de andere kinderen waren al ge trouwd en 't nest uit. Ik alleen bleef thuis nog over en ik zat een beetje in de positie als in het «Dorp der Mirakelen» 't Was altijd van «joot moeder», «joot vader», 't moest altijd ie dereen gelijk geven en dat was ik beu. Zo ben ik dan maar ge trouwd. Ons vader zei altijd: «ons moe der is weeral ne keer de goei- ekoop achterna gegaan. Wee ral pekelharing met boontjes. Een pekelharingsken van een half frangsken en daar dan om dertig frank bier op!» Van dorst natuurlijk, vanwege die pekel haring. Op 'n avond was vader opgestaan, van grote dorst, om zich beneden in 't café een kapperken bier te tappen Maar ons moeder was 'n heel zjuste vrouw en had iets verdachts gehoord. Vader had haar horen opstaan, rap z'n kapperken uit gedronken en weer naar bo- -lk moet naar huis. want mijn schoonmoeder... - (SJ) Ik eet alles, als het maar smaakt ven. Van gehaastheid was hij echter vergeten de kraan te sluiten, 's Morgens toen moe der opstond was 't ganse vat afgelopen, 't Bier stond tot aan 't Groen Kruis. Daar ben ik dan uitgetrouwd. Mijn vader had me nog eerst meerderjarig moeten laten ver klaren, want ik was nog geen eenentwintig jaar. En ik moet zeggen dat ik rijkelijk uitge trouwd ben. Mijn moeder weende snottebellen - lang en ze gaf me mijn uitzet mee: drie «noagelschroeikes» en een bolhoedje. «G' hebt uw twee handen en uw verstand, zei ze. en schiet u daarmee het bos,,in!» Ik ben dan als jonggehuwde in 't zelfde straatje, 'n beetje verder gaan inwonen bij een broer die al vroeger getrouwd was. Op een achterkamertje. Dat was daar alies-ineen: onze salon, onze slaapkamer en eetplaats. We bakten in die tijd ons brood zelf en we zaten vergeven van de «kolenbranders». V.P.: Wat is je aangenaamste herinnering? P.: Ja. dat is niet gemakkelijk om daar op te antwoorden. In feite zijn mijn schoonste herin neringen verbonden aan to neel Met al die stukken.. «Door lever Sterk». Daar hoor je nu niet meer over spreken. Later, toen het Vlaams Huis er gekomen is in de Molenstraat, heeft Maurice Schouppe, sa men met Hector De Gheest, dat veranderd in «De Schakel». De toneelbond «De Schakel» die nu nog bestaat is dus in feite een voortzetting van die vroe gere vereniging. Dat waren schone momenten In «Seppl» heb ik eenentwintig keer Bartje gespeeld En «Driemeisjeshuis», üat was mijn lievelingsoperette, want ik had altijd een zangrol. In die tijd kon ik tamelijk goed mijn keel gat openzetten. «Het Hollands Wijfje» heeft ook nog op mijn repertorium gestaan, allemaal schone operetten. Dat was nog eens een schone tijd... Maar rond het jaar 1935, nadat we al zoveel jaren op de planken hadden gestaan zei Hector De Gheest op zeker ogenblik: «jongens, voor al die verdien sten gedurende al die jaren, gaan we u eens een souper aanbieden!» Want je mag niet vergeten, in die tijd was toneel nog een avontuur. In al die tijd hadden ze nog niet één keer een nieuw dekor gebouwd, 't Was eeuwig en altijd "t zelfde dat daar stond: een voael! Ik

Digitaal krantenarchief - Stadsarchief Aalst

De Voorpost | 1978 | | pagina 17