Het Vraagstuk van de Landbouwvoorlichting*
Herzaaien van Tarwe*
2
DE KOORNBLOEM 6 Maart 1954
De grote Struikelsteen»
(Vervolg van le bladzijde)
Laat ons openhartig zijn en toegeven
dat het slechts een heel klein gedeelte
van de landbouwers zijn, die bij de rijks-
landbouwkundige komen. En dan zijn
het doorgaans nog zulke boeren die de
weg naar de voorlichting gevonden heb
ben en die er dan ook ruimschoots ge
bruik van maken. Trouwens, wij mogen
niet vergeten dat vele boeren daar lou
ter en alleen komen, om wille van een
of andere premie die ze hopen los te ma
ken. Zo hebben wij al ondervonden,
voor wat bv. de weideverbetering aan
gaat, dat sommigen niet zozeer houden
aan de samenstelling van de grasmenge
ling, die door de rijkslandbouwkundige
wordt voorgeschreven, maar alleen be
lang stellen in de factuur, die de levering
vergezelt. Als op die faktuur maar die
soorten staan die werden aangeraden is
het al meer dan goed. Want dat hebben
ze immers nodig om hun premie te kun
nen krijgen.
Neen, als ge dagelijks met de werke
lijkheid in aanraking komt, niet alleen
de werkelijkheid van een proefoedrijf,
niet het bedrijf van een of andere voor
uitstrevende boer, of een modelhoeve,
maar de werkelijkheid van de nonderden
kleine bedrijfjes, die nog voortsukkelen
als in de tijd van Maria Theresia, be
drijfjes waar men nog niet ontdekt heeft
de meest elementaire dingen, die ieder
schoolkind reeds van op de schoolban
ken kent of althans zou moeten kennen,
dan komt men tot de overtuiging dat wij
nog heel wat weg af te leggen hebben.
In sommige kringen bestaat wel eens de
neiging die kleine bedrijfjes over 't hoofd
te zien. Men maakt zich dan doorgaans
van die moeilijkhei i af met de opmer
king zoiets behoeft geen voorlichting,
dat zijn toch geen boerderijen. Die kun
nen niet gauw genoeg verdwijnen, enz.
Maar in een streek als de onze kunnen
wij er ons niet zo gemakkelijk van
afmaken.
Ook laten wij ons niet van de wijs
brengen door overwegingen als ia
andere landen is het wellicht nog slech
ter. Dat is mogelijk en zelfs heel waar
schijnlijk, maar dat verandert voor geen
cent de toestand die wij hier kennen. Op
vele bedrijven kan er nog zeer veel wor
den verbeterd en zolang dat zo is, blijft
het vraagstuk onverminderd bestaan.
Men kan ook beweren dat wij zwart
kijkers zijn, dat het in werkelijk niet zo
slecht is grsteld. Wij zouden ons zeer
verheugen moesten wij ons terzake ver
gissen. Maar wij h-bben reden om aan
te nemen dat de toestand is, zoals wij
hem beschrijven en diensvolgens wensen
wij dan ook te handelen.
Enkele bevindingen van de laatste tijd
willen wij ter illustratie aanhalen. Zij
mogen misschien een beeld geven en
aantonen hoe wij tot onze overtuiging
zijn gekomen.
Al sinds jaren geven wij regelmatig
voordrachten voor de boeren en daarbij
hebben wij volgende vaststellingen kun
nen doen
Ingeval geen speciaal lokmiddel wordt
gebruikt om de boeren toch te verleiden
om te komen, bv. filmvertoning, tombola
of iets dergelijks, dan blijkt dat voor de
ene het weer te slecht is (terwijl hij er de
ganse dag heeft ingelopen), dat voor de
andere er niets te leren valt (dat kunt ge
dan zeer duidelijk merken aan hun be
drijf), een derde heeft geen tijd, want hij
moet nog voederen en melken (terwijl
hij een ganse namiddag verspeeld met
naar een koopdag te gaateen vierde
zijn koe motst kalven, enz. enz. Zo heb
ben wij eens meegemaakt dat op een
bepaalde gemeente slechts een dozijn
boeren waren opgekomen, terwijl het
grote deel, dat zogezegd geen tijd heeft,
enz. gaan luisteren was naar een caba
retavond, waar ne goeie komiek
optrad.
Het valt niet te ontkennen dat de
grote massa de weg naar de rijksland
bouwkundige zelfs nog niet kennen, laat
staan hem gebruiken. Er zijn er zelfs nog
die niet weten dat hij bestaat. En is het
nu niet juist die soort van landbouwers
dat wij met onze voorlichting moeten
bereiken Er schuilt veel waars in het
gezegde zij die te rade gaan hebben het
doorgaans het minst nodig, en die het
meest nodig hebben die blijven thuis.
Er zijn er die veel meer vertrouwen heb
ben in hun eigen kunde, dan in die van
een landbouwingenieur
Nu zou men kunnen veronderstellen
dat voordrachten niet interessant genoeg
zijn. Dat zou iaderdaad het geval kun
nen zijn. Maar de ondervinding heeft
ons getoond dat sommige gemeenten
van jaar tot jaar een groter toeloop
hebben. Nu is de reden daarvan niet dat
ze zoveel belang stellen in wat er ver
teld wordt, maar wel in het hoe. Als ze
weten dat er een spreker komt, die het
goed kan zeggen ene die eens een
mop durft te vertellen en de boeren kan
doen lachen, ja dan is het wel mogelijk
dat ze het moeite vinden om eens te
komen luisteren. Maar dat bewijst juis
dat het niet zozeer de behandelde stof ist
die hen aantrekt, maar wel de persoon
van de spreker. En vooral als die spre
ker dan verstand heeft van demagogie
kan hij verzekerd zijn van zijn succes.
Een ander gevalenkele jaren geleden
hadden wij een plan opgevat de jonge
boerenzoons zelf in te schakelen in het
voorlichtingswerk. De uiteindelijke be
doeling was dan op iedere gemeente een
groepje boerenzoons bij elkaar te bren
gen, die dan regelmatig bijeen zouden
komen, niet in een café, niet in een sport-
lokaal of op een voetbalveld, niet om
een avond te dansen. Maar wel om bij
elkaar aan huis een buurtavond te hou
den, waar ze gezellig ondereen, in de
huiselijke atmosfeer van de boerderij
van gedachten zouden wisselen over een
en ander dat ze bij hun dagelijkse werk
als boer hadden tegengekomen. Terwijl
een tas koffie werd gedronken en een si
garet werd gerookt zouden ze dan kun
nen praten over hun moeilijkheden, hun
zorgen, hun ondervindingen; ze zouden
bij elkaar hun licht kunnen opsteken en
elkaar in vele dingen met raad en
daad behulpzaam zijn. Kortom wij
hadden het plan terug te keren naar dat
volksgebruik dat aan 't uitsterven isde
buurtavonden. Alleen met dat verschil
dat deze avonden dan zouden staan in
het teken van wederzijdse ontwikkeling,
dat ze dus de nadruk zouden leggen op
de verdere vakbekwaamheid.
Hiervoor was per gemeente natuurlijk
een boerenzoon nodig, die dit zaakje on
der handen wilde nemen en daar zo wat
leiding geven. Met dat doel richtten wij
een centrale studiekring op, waar voor
uitstrevende jonge boeren zich op die
taak zouden kunnen voorbereiden, waar
ze zouden leren over water moet geklapt
worden, op welke wijze moet worden te
werk gegaan, enz. En dat deze methode
niet zo slecht was, bleek wel uit de resul
taten die wij mochten bereiken ten
minste bij hen die naar die studiekring
Kwamen.
Maar daar zit het hem juistde be
langstelling was veel te gering. Het vele
werk dat met ons plan verbonden was
kon zeker ten goede komen aan tiental
len jonge boeren, maar nu moesten wij
ons tevreden stellen met een paar dozijn.
Nog een ander gevalVerleden jaar
werden wij uitgenodigd een paar woor
den te zeggen op een vlaggeiahuldiging
van een bevriende vereniging. De stoet,
die er aan voorafging, de liederen, de
uniformen, de opgetuigde paarden
alles gaf de indruk dat hier iets perfect
van stapel liep. Wij kregen zo wat de
oude geestdrift te pakken van toen wij
nog student waren en de wereld gingen
veroveren, zo 'n indruk maakte dat op
ons. Toen echter de vergadering in open
lucht aanving en de leiders hun oproep
richtten tot de deelnemers, dan zagen wij
stuk voor stuk de verschillende groepen
uiteenvallen en ....verdwijnen in de her
bergen rondom het dorpsplein. Alleen
het uiterlijke vertoon scheen dus nog
aantrekkingskracht te bezitten.
Een vierde gevalonlangs werd er
door de Volkshogeschool een studie
week belegd te Huizingen, waarop de
vraagstukken betreffende onze kleine
bedrijven zouden onderzocht worden en
besproken. Niemand zal ontkennen dat
dit vraagstuk van zeer dringende aard is,
vooral in onze streek. Logischerwijze zou
men dus een sterke deelname verwach
ten. Maar dat was niet het geval, verre
van daar.
Zie wat wij hierover te lezen kregen
in Het Baerenfront
Wij hebben destijds voor deze Volks
hogeschoolcursus in ons blad een oproep
laten verschijaen, gericht tot de Jong-
Boerenfronters. Wij mogen, helaas, niet
zeggen dat deze oproep beantwoord
werd door de leden van het J.B.F., die
het waarschijnlijk gemakkelijker vinden
thuis te blijven en zich te amuseren, dan
zich de moeite te getroosten zich te ont
wikkelen en zich op te werken tot vol
waardige boeren en mensen
Wij kunnen niet zeggen dat het bij
ons beter was. Terwijl wij met grote
verwondering hebbea moeten vaststel
len, dat van een deelneming van de
grootste landbouwersvereniging van het
land zelfs geen spraak was.
Verleden jaar ging een dergelijke
landbouwstudieweek eenvoudig niet
door omdat er geen belangstelling voor
bestond. Twee jaar geleden waren wij
naar Huizingen getrokken met 6 man,
waarvoor wij zelf de kosten van deel
name aan de studieweek, het nachtver
blijf en eten, evenals de reiskosten vol
ledig hadden betaald. Zij hadden dus
voor geen cent onkosten gehad, ze had
den van huis vrij af en konden dus over
hun tijd beschikken. Stel u onze ver
wondering voor toen wij, na even weg
te zijn geweest, bij onze terugkomst
moesten vaststellen, dat er een drietal
van de gelegenheid hadden gebruik ge
maakt, om er van onder te muizen... en
dat reeds na de tweede dag... omdat ze
het niet interessant vonden 1
Zo zouden wij die voorbeelden nog
kunnen vermenigvuldigen. Maar wij ge
loven dat het kan volstaan. Als wij
daarbij dan vergelijken het enthousiasme,
ja de heftigheid, waarmee vele jongeren
belang stellen in voetbal, biljart, wiel
rennen, pronostieken, dansen en kermis
sen, gaat men ons dan verwijten dat wij
overdrijven als wij zeggen, dat er van de
kant van de jonge boeren te weinig be
langstelling bestaat voor verdere ont
wikkeling
En ook bij de ouderen is het niet in
orde. In deze geven zij ongetwijfeld het
slechte voorbeeld. Hoewel wij toch moe
ten toegeven dat het juist de ouderen
boeren zijn, die wij doorgaans op onze
voordrachten aantreffen.
Al deze gegevens hebben ons tot de
overtuiging gebracht dat het werk van
de landbouwvoorlichting zijn grootste
struikelsteen ontmoet op de boerderij
zelf. Er is een uitgesproken gebrek aan
belangstelling. En het is toch die belang
stelling die de voedingsbodem is van ge
lijk welk onderricht of onderwijs. Zonder
die belangstelling is geen vruchtbaar
werk mogelijk.
Een volgende bijdrage zal ons toela
ten te onderzoeken waaraan dit gebrek
te wijten is.
Cf H vooc iedereen, kleine intrest.
VJDijL/ Zakenkantoor Adh., Ven
den Eeckhaut, Landgoed De Etting
Erondegem. Telef. Aalst 25191.
Ministerie van Landbouw.
De uitwerking van de koude op de
wintergraangewassen komt thans duide
lijker aan het licht. Sommige bezaaiingen
zijn volledig vernietigd, bij andere is de
graad van beschadiging dusdanig dat hun
behoud niet mogelijk is. Het herbezaaien
van deze velden neemt een dringend ka
rakter aan wanneer zulks geschiedt bij
middel van een wisseltarwe. Er dient
inderdaad aangestipt dat de tot deze
groep behorende rassen waarvan het
zaaitijdperk het verst reikt zoals Ber-
sée Chanteclair en Picardië
tot 15 Maart kunnen gezaaid worden,
terwijl Alter of Linie 61 van Gem-
bloers tot 15-20 Maart mogen gebruikt
worden. De aanwendingsperiode der
overige rassen die in mindere of meer
dere mate als wisseltarwe kunnen aan
gezien worden, is merkelijk korter. Er
dient ook niet uit het oog verloren dat
hoe vroeger deze tarwerassen worden
gezaaid des te groter de kansen zijn op
een goede opbrengst en des te kleiner de
gevaren van beschadiging door de zwar
te roest, welke gewoonlijk optreedt het
jaar waarin het gebruik van dit tarwe-
type zich veralgemeent. Voor voren
staande tarwerassen is het verkieslijker
vroeg te zaaien, ook al is het misschien
in een nog weinig in goede voorwaarden
verkerende grond, dan de uitzaai uit te
stellen tot de grond meer opgedroogd is.
Er dient dicht (400 korrels per m2) en
ook zo ondiep mogelijk gezaaid te wor
den, teneinde de opkomst te bespoedigen.
De uitzaai is minder dringend wanneer
de herbezaaiïng geschiedt met zomer-
tarwe. Ook hier echter verzekert vroe
ge uitzaai in het algemeen de beste groei
en de hoogste opbrengsten.
Van Maart af dient deze tarwe ge
zaaid wanneer de toestand van de grond
een behoorlijke werking toelaat. Het ge
bruik der rassen Fylgia en Béda-
vril reikt tot einde April dit van
Blanka Progress Pondus
«Strube 10 022» tot begin April, en voor
Peko tot 25 Maart. Deze tarwerassen
worden ook bij een dichtheid van 400
korrels per m2 uitgezaaid. De stikstofbe
mesting van de wisseltarwerassen hoeft
zwaarder te zijn dan deze van de zomer-
tarwerassen voor eerstgenoemde zal ze
volgens de variëteit tot 60 eenheden stik
stof per ha mogen bedragen (en zelfs
meer voor Alter ea, voor de tweede,
zullen 40 tot 50 eenheden Diet mogen
overschreden worden ten einde het lege
ren te voorkomen.
Ook al zijn een belangrijk aantal per
celen wintertarwe als verloren aan te
zien, toch zijn er nochtans andere waar
voor er hoop op behoud bestaat.
Als deze bezaaiïagen hun normale be
mesting nog niet hebben gekregen, zal
het van groot belang zijn deze zonder
verwijl toe te dienen en dit onder een
geconcentreerde en snelwerkende vorm.
Voor deze welke vóór de uitzaai be
mest werden b ijkt het niet van belang
ontbloot hun herstel te bevorderen, door
onverwijld een lichte bijkomende volle
dige bemesting toe te dienen.
Di uk te rij DB KOOKINBLuE.vI
Zeebergkaai, Aalst.