Het Vraagstuk T Landbouwvoorlichting. Landbouwers, - 17 April 1954 3 Wat zcu kunnen gedaan worden. III. De vorige artikels, die wij aan dit onderwerp hebben gewijd, gaven ons de gelegenheid vast te stellen, dat de grote struikelsteen voor de landbouwvoorlich ting te zoeken is in het tekort aan be langstelling bij vele van onze landbou wers. Wij stelden dan ook een onderzoek in naar de reden van dit tekort met het doel daaruit besluiten te kunnen trekken, die ons richtlijnen moeten geven voor de uitbouw van een voorlichting, die effectiever is, dan wij tot nu toe hebben gekend. Wij hebben daarbij niet de pretentie een programma van vernieuwing voor te stellen. Dat is trouwens ons werk niet en ligt evenmin in onze bevoegdheid. Wat wij willen doen is enkele fouten in het huidige systeem aantonen, daarbij enkele aanwijzingen gevend, die alhoe wel ze van groot belang kunnen Zijn, in landbouwmiddens veelal over het hoofd worden gezien. Een eerste tekortkoming is wel dat onze huidige voorlichting te veel op zich zelf staat, ttz dat ze geen, of althans te weinig aanknopingspunten heeft. Het enige, waarbij ze in haar werk kan aan sluiten, is het landbouwonderwijs. En hier bevestigt de ondervinding onze op vatting. Inderdaad; bij landbouwers, die landbouwonderwijs hebben genoten vindt de voorlichting doorgaans een dankbaar gehoor. Maar in onSe streken is het aantal landbouwers met landbouw onderwijs wel zo klein, dat bij het meren deel dit aanknopingspunt niet bestaat. Nu kan men opwerpen dat zij, die nu precies geen uitgesproken landbouw onderwijs hebben genoten, toch een zeker aanknopingspunt hebben met het lager onderwijs, dat nu toch iedereen krijgt. Dat zou zo moeten zijn. Maar hoe het werkelijk is zullen we seffens zien. Een tweede leemte is dat de land bouwvoorlichting uit de aard van de zaak, de nadruk legt op de technische ontwikkeling van de boeren, terwijl ze weinig of geen rekening kan houden met de geesteshouding, de levensopvattingen, de manier waarop de boeren de wereld bekijken. Het zijn juist die zaken, waarop de voorlichting moet kunnen steunen, maar waarop zij zelf weinig invloed kan uitoefenen. Daarmee komen wij tot de vaststelling dat een grote leemte in de landbouw voorlichting, dan genomen in haar breedste betekenis (dus vakonderwijs bij inbegrepen) nl. dat practisch uitsluitend aandacht wordt besteed aan de verstan delijke vorming en ontwikkeling, aan de technische kennis dus, maar dat weinig of niets gedaan wordt voor de gehele opvoeding. Kennis is nog geen deugd. Over gans de lijn is men er sinds geruime tijd van overtuigd dat technische kennis alleen nog niet volstaat, maar dat gans de mens in het proces moet betrokken worden. Wij bedoelen hiermede dat het niet volstaat te weten hoe iets moet, maar dat daarbij nog heel wat anders te pas komt eer men dat iets in de prac- tijk op de juiste manier gaat toepassen. Zo zal het blijken dat de levensbe schouwing van een landbouwer, de mate waarin hij zijn beroep lief heeft, er de waarde van inzietde beroepsfierheid en het standsbewustzijn dat hij bezit, enz. van beslissende betekenis zijn voor het wellukken van de voorlichting. Veel hiervan ligt totaal buiten het terrein van de landbouwvoorlichting, nu verstaan in de enge betekenis van het woord. En om hier iets tot stand te bren gen zullen wij moeten teruggaan tot al die factoren, die bij de opvoeding van de jonge mensen in het algemeen een rol spelen. Die opvoeding vangt reeds aan in het huishouden. Hoe de jonge boer tegen over het boerenbedrijf zal komen te staan hangt reeds voor een groot deel af van de houding, die hij thuis gezien en geleerd heeft van vader. Deze draagt in dit ver band een niet te onderschatten verant woordelijkheid en het ware wenselijk dat de oudere boeren ietswat toeschietelijker waren dan nu het geval is. De opvoe ding van hun jongens bereiken ze zeker niet door hen voortdurend te nekken en in hun opgang tegen te houden. En dat ze niet vergeten dat de tijd, waarin zij zij'n opgegroeid, grondig verschilt van de tijd, die wij nu beleven. De opvoeding van de jonge gasten wordt voortgezet in de lagere school. Deze is uitteraard bestemd om de volks kinderen een opleiding te geven, waar mee zij op hun 14 jaar het leven kunnen ingaan. En omdat er zowat van alle standen kinderen bij elkaar zitten is men genoodzaakt het onderwijs algemeen te houden, ttz. men kan zich daar bezwaar lijk gaan toeleggen op één bepaalde specialisatie. Toch stellen wij ons de vraag waar om kan er op de lagere school in ge meenten met een uitgesproken boeren bevolking, niet wat meer aandacht be steed worden aan de landbouw. Daarmee bedoelen wij niet dat nu speciale land- bouwlessen moeten gegeven worden, maar wel dat de landbouw er zo behan deld worden als een deel van de men selijke activiteit die evenzeer als wat anders onze bewondering en dankbaar heid moeten afdwingen. Het is toch een feit dat kinderen die voortstuderen reeds vóór hun 14 jaar de school hebben verlaten. Zij die dan nog overblijven zijn doorgaans dan die kinderen, in de landelijke gemeenten althans, die later veel kans hebben op een boerderij terecht te komen. Wij zou den het dan ook niet overbodigd vinden moest het onderwijs daar wat meer rekening mee houden. Het is toch zo, dat de vierde graad, dus het 7e en 8' studiejaar, juist als op dracht heeft een inleidende voorberei ding te zijn op de latere beroepen. Waarom krijgt men het dan in het hoofd, de kinderen lastig te vallen met allerlei geleerdheid, die alleen moet dienen om een goed fiuuur te slaan in het vierde graads-examen? Waartoe dient dat ei genlijk? Is het voor een boerenkind van meer belang een vergelijking met één onbekende te kunnen oplossen, dan bv. een gezonde kijk te hebben op het vak dat het later zal uitoefenen? Waarom wordt er niet meer belang gehecht aan de opvoeding tot beroepsfierheid Dat dit op vele plaatsen nog heel wat te wensen overlaat valt niet te ontkennen. Zo kennen wij, om maar één voorbeeld aan te halen, een klas waar de onder wijzer geen beter middel weet om zijn ongenoegen over de domheid van een of ander leerling uit te drukken dan hem betitelen te met Gij lompe boer 1 Dat sommige leerkrachten weinig be langstelling hebben voor alles wat het boerenbedrijf aangaat, doet niets af van de verplichting die ze hebben hun kin deren een passende opleiding te geven. Zo hebben wij talrijke keren meege maakt dat een klas uit de lagere school op wandel gaat en dan heel wat dingen te leren krijgt over de verschillende verkeersmiddelen, die ze tegenkomen, over de aardrijkskunde van de streek, over de verschillende fabrieken, die op de gemeente te vinden zijn, enz. enz. Maar slechts één geval hebben wij ge kend waar de klas naar de boerderij trok van één der leerlingen en daar ter plaats ging zien wat zo'n boerderij allemaal van een mens vraagt. En het was die kinderen aan te zien, dat ze sterk onder de indruk waren van al het werk, al de kennis en de ondervinding, die een boer moet hebben. Dat is opvoedend werk. Op zulke manier wordt in de hoofden van onze jongens de boerderij in ere her steld. Thuis moeten de kinderen alle mogelijke soorten van huiswerk doen, waaromdan ook het boerenbedrijf daarbij niet betrokken. Op de buitengem-enten is dat toch één van de hoofdzaken Of moeten reeds van jongs af de boeren kinderen de indruk krijgen dat ze maar voor halve mensen meetellen Neen, zolang de boerenjongens zich de mindere voelen hapert er ergens iets. De lagere school moet aan onze toekom stige landbouwers en ook aan de andere jongens, het bewustzijn meegeven dat het boerenvak even respectabel is dan gelijk welk ander. Dat het een vak is waar buitengewoon veel ondervinding, onderlegdheid en verantwoordelijkheid voor gevraagd wordt. Dat de boer in ons land de taak op zich heeft genomen te zorgen voor de bevoorrading van de bevolking. Dat de boer het gezondste gedeelte, zowel moreel als lichamelijk, van ons volk is. Dat de boerenstand die stand is waar onze volkskracht in schuilt. De verlengde leerplicht, die wij in het zicht hebben, dient hierop nog meer de nadruk te leggen. En als ieder zijn plicht verstaat dan moet men geen profeet zijn om te voorspellen dat het terrein voor de voorlichting zal geeffend zijn. Men sen met zelfbewustzijn, met een open oog voor hun werk, met een gezonde kijk op het leven, die zijn van goede wil, die zijn niet kleingeestig en bekrompen. Daar zal de voorlichting zonder twijfel een goede bodem vinden. Het opzettelijk landbouwonderwijs arbeidt natuurlijk aan de technische op leiding van de boerenzoons, die de kans hebben dit onderwijs te volgen. Maar ook hier moet meer aandacht besteed worden aan de opvoeding als mens. Maar al te dikwijls gebeurt het dat de technische opleiding voor moeilijkheden komt te staan, die alleen kunnen opgelost worden door een rechtgeaard karakter en door een open geest. Denken wij bv. even aan de landbouwcoöperatie. Hier volstaat het zeker niet een theoretische uiteenzetting te geven. Hier moet een geestesgesteldheid worden ingekweekt. Coöperatief denken is meer een kwestie van algemeen menselijke opvoeding dan een kwestie van technische scholing. Er mag ook wel eens op gewezen worden dat ons landbouwonderwijs in contact moet blijven met de werkelijk heid. Het is een heel kleine kunst voor een leeraar de zaken zodanig voor te stellen dat de boerenzoon, als hij zijn gedachten dan over het bedrijf thuis laat gaan, eenvoudig de moed opgeeft. Zo iets als de leeraar daar vertelt, dat is nooit te verwezenlijken. Zeker niet met een tegenstribbelende vader I De voeling met het practische bedrijf moet dus steeds behouden blijven. Zo niet doktert men aan kwalen, die niet eens bestaan. Wij denken in dit verband aan een landbouwschool, die wij in Nederland bezochten. Daar kwamen de jongens dé ene hellt van de week naar de school en de andere helft werkten ze gewoon op het bedrijf thuis. En dan blijft de school practisch afgestemd op de noden van het bedrijf en zweeft ze niet te hoog in de lucht. Ook kunnen wij ons afvragen hoe het gesteld is met de voordrachten die, van staatswege worden ondersteund, links en rechts worden gegeven. Beantwoor den deze voordrachten altijd wel aan hun bedoeling Komt er daar veel van in huis Alles hangt hier af van de toewij ding van de voordrachtgever. Bepaalt hij er zich toe netjes zijn les op te zeggen zoals hij dat in de boeken geleerd heeft, om daarna spoorloos te verdwijnen, dan is het resultaat doorgaans nul. Met hart en ziel moet de voordrachtgever aan zijn boeren gebonden zijn, en waar het moge lijk is moet hij met zijn mensen in ver binding blijven. Zoniet wordt er te veel gepraat en veel te weinig gedaan. Waar ook weinig aandacht aan be steed wordt, is de tijd dat onze boeren zoons in 't leger doorbrengen. Wat men ons ook wil wijsmaken over de moeilijke opleiding in een modern leger, toch weten wij uit ondervinding dat er in 't leger steeds een hele massa tijd be schikbaar is die men dan moet dood doen met allerlei beuzelarijen. Toen wij des tijds zelf ons vaderland dienden hebben wij dat voldoende aan de lijve onder vonden. En de intense verveling van alle dagen bracht ons op het gedacht studie avonden in te richten. Voor de jongens was dat zeker heel wat nuttiger dan bv. een ganse avond alle verdachte cafeetjes uit de kazernebuurt te doen. Die studie avonden vielen in de smaak van de kolo nel en deze gaf ons opdracht enkele les sen in te schakelen in het gewone dagpro gramma. Wij kregen het daar natuurlijk te doen met jongens uit alle standen en konden dan moeilijk speciaai met de boeren bezig zijn. Maar toch... Het feit alleen dat wij het boerenvak behandel den op dezefde voet als de andere vak ken, dat wij bij gelegenheid een paar woorden zeiden over de hoge eisen die aan de boerenstiel worden gesteld, gaf onze boerenzoons al heel wat meer ver trouwen. Verschillende stadsjongens hebben ontdekt dat ook om te boeren mensen van doen zijn, ttz. wezens die hun verstand moeten gebruiken. En wij hebben daar met plezier vastgesteld dat jongens, die nog qeen koe uit een stier kenden en die doorgaans met weinig respect over de boeren spraken, met veel belangstelling luisterden. Achteraf hebben wij noq vrije uren besteed met speciaal voor de boeren zoons enkele lessen te geven. En dat heeft heel wat meer vruchten afgewor pen dan die bekende leeggan gerij bij het leger. Het."toeval„ liet ons ook wel eens toe, gedurende de oefeningen een oogje te werpen op een of andere boerderij in de Oostendse polders. Naar het schijnt bestaat er nu in elke eenheid een officier, die belast is met dergelijk werk. Wij weten niet hoever hier aandacht besteed wordt aan het landbouwvraagstuk. Wat wij echter wel weten is dat ons leger voor een groot deel bestaat uit boerenzoons. Dat die jongens voor 21 maand van huis wegge haald zijn en dat ze ginds over voldoen de tijd beschikken. Kan het leger die jongens niet wat schadeloos stellen door een systematische voorlichting Ook kunnen wij ons afvragen of er geen mogelijkheid bestaat voor het oprichten van schoolhoeven. Instellingen dus waar de leerlingen in hoofdzaak werken en waar slechts de allernood zakelijkste theorie wordt uiteengezet. En dan een theorie die afgestemd is op het werk dat men onder handen heeft. Verder denken wij aan de opvoeden de werking die kan uitgaan van de uit wisseling van boerenzoons tussen bedrij ven uit een verschillende streek. Zo leert men elkanders werkwijze kennen, zo leert men nieuwe methodes, zo maakt men vooruitgang. En zo komt men ook tot de ontdekking dat de wereld toch groter is dan ons eigen bedrijf. Wij kun nen niet nalaten in dit verband het werk van de Stichting Lodewijk De Raet te loven, dat zich buitengewone inspannin gen getroost op dat gebied. Inspannin gen die niet altijd naar waarde worden geschat en waarvan veel te weinig van ons boeren en vooral boerenzoons ge bruik van maken. Zoals men ziet zijn nog niet alle moge lijkheden voor de landbouwvoorlichting uitgeput. Mogelijkheden, die aan de staatskas daarom niet zoveel geld moeten kosten, maar die toch veel nut kunnen afwerpen. Ja, er kan nog heel wat gedaan worden. leest en verspreidt uw blad. DE KOORNBLOEM

Digitaal krantenarchief - Stadsarchief Aalst

De Koornbloem | 1954 | | pagina 3