De Bestrijding van de Mol.
Enkele bedenkingen.
Landbouwers,
Onze lezers zullen zich nog he
rinneren dat wij enkele tijd gele
den in ons blad een artikel hebben
gewijd aan de mollenverdelging.
Tot onze verwondering heeft dat
artikel heel wat stof doen op
waaien, althans te oordelen aan de
brieven die wij hierover hebben
gekregen. Zoals het gewoonlijk
bij dergelijke dingen gaat waren
de meningen verdeeld. Sommige
waren voorstanders van een totale
bestrijding, terwijl andere van oor
deel waren dat de mollen moeten
aanzien worden als nuttige dieren
en derhalve moeten beschermd
worden. Slechts één briefschrijver
toonde begrip voor allebei de
standpunten en heeft dan ook, ons
inziens, de juiste kijk op de zaak.
Wat is er nu eigenlijk van de
kwestie
Het valt niet te ontkennen dat de
mol schade doet. Evenmin kan men
loochenen dat hij nuttig werk ver
richt met de verdelging van aller
lei ongedierte, hoewel ons door
iemand in dat verband gewezen
werd op het feit dat de mol heel
wat aardwormen verslindt, wat
dan weer schadelijk is voor de
landbouw.
Wat weegt nu het meeste door
de schade ofwel het nut Moeilijk
om te beantwoorden. Wie zal trou
wens de weegschaal uitvinden om
dat af te wegen Bovendien be
staat er geen reden om de zaak
ingewikkelder te maken dan ze is.
Wanneer iemand, aan de hand van
niet te ontkennen feiten, vaststelt
dat de mol schade aanricht, waar
om zou hij de kwaaddoener dan
niet verdelgen
Nu zullen sommige dierenvrien
den wel van mening zijn dat wij
hier te vlug oordelen. Dat wij eerst
goed moeten afwegen het voor- en
nadeel, enz. Wij menen dat deze
opvatting, hoe goed bedoeld ze
ook is, blijk geeft van een zekere
teergevoeligheid ten overstaan van
de dieren, die wij, in het kader van
onze huidige samenleving, niet
goed kunnen begrijpen.
Veel hangt af van het standpunt
waarop men staat. Bekijken wij
voor de aardigheid de zaak eens
vande kant vande dieren dan lijken
de mensen, die in het leven van de
dieren dikwijls heel brutaal ingrij
pen, wel echte monsters. Natuur
lijk zal de mens nu wel aanvoeren
dat de dieren er zijn voor zijn nut
en zijn genoegen, maar de dieren
zullen daar zeker niet mee akkoord
gaan.
Men vindt mensen, die een grote
keel opzétten omdat iemand, lou
ter en alleen voor zijn genoegen,
vogels in een kevie opgesloten
houden, wat echter niet belet dat
ze 's middags met veel smaak een
jong haantje de benen afkluiven.
Nog niet lang geleden werd een
actie op touw gezet om het vinken
te verbieden. Sommigen vonden
dat redelijk, maar de vinkeniers
keken verwonderd alsof ze het in
Keulen hoorden donderen. Bepaal
de dames lopen over van liefde
voor alle mogelijke dingen die op
4 poten lopen, maar 's winters vin
den ze een dure bontmantel toch
wel interessant. Wij hebben een
voorzitter van een zogenaamde
dierenbescherming gekend, ie
mand dus die het vangen van die
ren met hart en ziel veroordeelde
maar die in de loop van de vorige
oorlog toch kans zag een klein
dozijn van zijn geburen achter de
grendel te krijgen.
Neen, wij moeten toch een beetje
redelijk zijn in die zaken. Wij moe
ten ons even losmaken van heel
wat verkeerde vooroordelen, die
dikwijls gesteund zijn op zeer twij
felachtige gronden.
Bekijken wij de dieren in hun
wereld, zoals ze door O. L. Heer
zijn gemaakt, dan stellen wij daar
verhoudingen vast, die zeker niet
stroken met al die teergevoeligheid
die men in sommige middens ten
toon spreidt. De mol bv. zal zeker
geen gewetenswroegingen hebben
als hij op een dag tientallen insec
ten heeft verorberd. En deze dier
tjes zijn toch, evengoed als de mol,
schepselen van God. De mol moet
zorgen dat zijn maag gevuld wordt
en hij handelt daar naar. Dat an
dere wezens daarbij het leven moe
ten laten is wel zo vanzelfsprekend
dat het haast een natuurwet lijkt.
Trouwens, toen God vleesetende
dieren schiep, dan lag het toch
voor de hand dat ze elkaar gingen
verscheuren. Daarbij op dat ge
bied is de mens evenmin kieskeu
rig als de dieren.
Het leven hier op aarde wordt
beheerst door twee dwingende
natuurwetten, die wel zo'n dwin
gend karakter hebben dat zelfs de
mens, die, in tegenstelling met de
dieren toch begaafd is met ver
stand, er zich moeilijk aan kan ont
trekken nl. de wet van het zelf
behoud, waarbij ieder levend we
zen vecht voor zijn eigen bestaan,
en de wet van het soortbehoud,
waardoor ieder levend wezen een
instinctieve drang heeft om zich
voort te planten.
Deze twee wetten en vooral deze
van het zelfbehoud, roepen heel
wat tegenstrijdige belangen in het
leven. Het zelfbehoud vande mens
doet hem aardappelen kweken,
wat meteen inhoudt dat alle insec
ten, die deze aardappelen zouden
beschadigen, zijn vijanden worden
en diensvolgens verdelgd worden.
De mens heeft voor zijn voeding
vlees nodig, dus zal hij in koelen
bloede een koe de hals oversnij
den. Coloradokevers en koeien, die
daarvan het slachtoffer zijn, zullen
daar zeker niet mee akkoord zijn,
maar niemand onder ons kan daar
aanstoot aan nemen. De kever en
de koe blijken tegen de mens niet
opgewassen te zijn, hij is sterker en
slimmer. Zij vallen dan ook als
slachtoffer.
Hetzelfde verschijnsel zien wij
over gans de wereld. De zwakke
worden door de sterkere onder de
voet gelopen, grote vissen eten de
kleine, kleinere vogels worden
door de roofvogels uitgemoord,
muizen laten hun leven door de
katten, enz., enz. Dat is nu eenmaal
de gang van de wereld, dat is wat
wij noemen de strijd om het be
staan. Hij die het best uitgerust is
voor deze strijd, die over de beste
wapens beschikt en het sterkst is,
zal de overwinning halen.
De Engelse geleerde Darwin,
deed in zijn tijd heel wat stof op
waaien toen hij sprak over deze
ongenadige strijd om het bestaan.
Maar niemand kan ontkennen dat
hij, althans op dat gebied, een zeer
juiste kijk op de zaken had.
Men zal nu wel aanvoeren dat
de mens toch niet op dezelfde voet
kan beschouwd worden als de die
ren. Hij is toch een verstandelijk
wezen. Dat is inderdaad zo. En de
wetten van God en van de H. Kerk
wijzen er uitdrukkelijk op dat de
ene mens voor de andere niet mag
zijn als de wolven. Wat al inspan
ningen heeft het Christendom niet
gedaan om de mens zijn natuurlijke
wreedheid af te leren. Maar als
wij de huidige stand van zaken
zien, stellen wij toch vast dat die
20-eeuwse zover gevorderde en
verfijnde beschaving niets meer is
dan een heel dun laagje vernis,
dat bij de minste aanraking kan
bersten en dan terug de oude mens
te zien geeft.
Zie maar eens tot wat onze mo
derne beschaving in staat is. De
menselijke geest is zo ver doorge
drongen in de geheimen van de
natuur, dat hij in staat is zelfs de
atoomenergie te beheersen. Dat is
natuurlijk een heel sterk staaltje
van zijn kunnen. Maar het blijkt
toch nog altijd gemakkelijker te
de atoomkrachten te beheersen
dan zijn eigen zeiven. En dat gebrek
aan zelfbeheersing is er dan oor
zaak van dat een simpele atoom
bom zo maar op één slag een paar
honderd duizend mensen uit elkaar
rukt.
Als men daar eens goed over
nadenkt wordt het toch moeilijk te
begrijpen vanwaar die teerhartig
heid van sommige mensen komt
tenminste als het om dieren gaat.
Wij zijn wel akkoord dat het onno
dig kwellen of pijn doen van die
ren totaal af te keuren is. Maar als
wij zien welke flauwiteiten er soms
verkocht worden over hondjes en
katjes dan krijgen wij soms de in
druk dat de wereld op zijn kop
staat.
Nog niet zo lang geleden lazen
wij van een vervolging die was in
gespannen, op klacht van een of
ander comité van dierenbescher
ming, tegen een kloosterzuster,
omdat deze het aangedurfd had
een levende kat te gebruiken voor
de les in ontleedkunde. Naar het
schijnt is dat door de wet verboden.
Maar het zou ons niet verwonderen
dat die mensen van de dierenbe
scherming ook wel eens naar een
bokswedstrijd gaan kijken. Ge
moet dat eens hebben gezien welke
verheerlijkte gezichten ze trekken
en hoe opgetogen en gelukkig ze
zijn als de tegenstander van hun
favoriet een paar rake meppen op
zijn gezicht krijgt. En dat er dan
wel eens bloed van zijn gezicht
druipt dat hindert hun blijkbaar
niet. Wel integendeel, hoe meer er
bij is, hoe enthousiaster ze worden.
En als het zo'n misdaad is katten
te gebruiken bij het onderwijs wat
moet men dan denken over het
volgende er bestaan mensen, die
er een liefhebberij van gemaakt
hebben zeldzame en originele
boeken te verzamelen. Dat is een
zeer eerzaam tijdverdrijf zult ge
zeggen. Inderdaad. Maar weet ge
ook dat er heel wat boeken in zulke
verzamelingen voorkomen, die in
gebonden zijn in een omslag van
mensenhuid? Zo heeft men in
Frankrijk een schandaal ontdekt,
waarbij hooggeplaatste personen
betrokken waren. Deze zagen kans
langs laboratoria voor ontleedkun
de om, in het bezit te geraken van
mensenhuid om hun kostbare boe
ken te laten inbinden. Ge zult nu
zeggen dat was den toch van do
de mensen. Natuurlijk was dat van
dode mensen, maar is dat soms al
niet erg genoeg?
Neen, wij begrijpen die teerhar
tigheid niet. Zo schreef ons een
lezer verontwaardigd dat hij in zijn
tijd een onderwijzer had die mee
deed aan vogels vangen op de
speelplaats. Heel opvoedend is zulk
voorbeeld zeker niet. Maar is dat
zulke misdaad vogels vangen?
Begrijp ons welwij keuren dat ook
af. Zeker als het gebeurt louter en
alleen om het vangen. Maar ons
dunkt dat er toch heel wat andere
dingen zijn die;meer dienen afge
keurd te worden.
Een onredelijke liefde voor de
dieren vinden wij een veeg teken.
Als wij de geschiedenis eens door
lopen dan valt het wel op, reeds
van uit de oude tijd, dat de onrede
lijke liefde voor de dieren door
gaans samengaat met een verre
gaande harteloosheid tegenover
de evenmens. Ook nu kunnen wij
dat vaststellen. Zo kunt ge heel
goed meemaken dat mensen in
moeilijkheden komen met elkaar
omwille van een mormel van een
schoothondje, dat niet de eer ge
kregen heeft, waarop zo'n lief dier
tje wel recht heeft.
Waar zoveel complimenten wor
den besteed aan katten en honden
zien wij ook dikwijls een werkelijke
afkeer voor kinderen. Een typisch
staaltje hebben wij zo eens gezien
op de tram. Een jonge moeder zat
met een kleintje van enkele maan
den op de schoot. En ja, hoe gaat
dat, zulke kleine burgers kennen
nog weinig fatsoen en laten Gods
water maar over Gods akker lopen.
Een preutse dame aan de overkant
zag, waarschijnlijk tegen haar wil,
het ongeluk gebeuren en gaf heel
opvallend haar afkeer te kennen.
Waar ze echter minder bezwaar
tegen had was dat haar kleine
chérie (dat was een wezen met
veel haar op, waar noch een voor
ste noch een achterste aan te on
derscheiden was, naar alle waar
schijnlijkheid een karikatuur van
een hond) heel elegant van
haar schoot sprong en na het ge
bruikelijke snuffelen in de hoek
van het rijtuig hetzelfde deed wat
het kleintje had gedaan. Dat lief
hondje toch...
Wij leven in een rare tijd. Men
doet al het mogelijke om de dieren
te beschermen en verliest daarbij
uit het oog dat de mens ook een
schepsel van God is, dat rechtheeft
op een minimum aan eerbied. Wij
zouden hier heel gemakkelijk tref
fende taferelen kunnen ophangen
en uitbeelden op welke wijze er
bv. gedurende de twee wereldoor
logen met de menselijke waardig
heid is omgesprongen. Wij bepalen
ons alleen tot een vluchtige blik op
wat niet zo lang achter ons ligt en
dat nog steeds ons samenleving
vergiftigtnl. de bevrijding van
1944.
Wij hoeven hier niet in bijzon
derheden te treden, wij herinneren
zo maar eens aan die glorieuse
tijd. Of het dan ging om een kind
of een ouderling, een zwangere
vrouw of een zieke man, of er wer
kelijk schuld bestond of niet, dat
alles speelde niet de minste rol.
Toen was er geen enkel lid van de
dierenbescherming dat er aan
dacht de wet in te roepen om hier
bescherming te verlenen. Wel
integendeel. Wat is er dan niet ge-
snuifd geworden van puur genoe
gen en leedvermaak.
Hoe potsierlijk klinkt in de gege
ven omstandigheden dan het' pro
test tegen sommige gebruiken,
waarvan de dieren het slachtoffer
zijn.
Wij herhalen het nogmaals zon
der reden de dieren pijn doen of
doden keuren wij volledig af. Dat
zal trouwens ieder normaal mens
doen. Maar vergeten wij toch niet
dat de evenmens nog altijd meer
waarde heeft dan alle dieren te
zamen.
Waar de mollenbestrijding ons
kan brengen, niet waar
leest en verspreidt uw blad.