2
DE KOORNBLOEM 30 Okt. 1954
(Vervolg van le bladzijde)
dat kan aannemen kan men best
illustreren door een uitwijking, zo
als wij er maar één in onze geschie
denis hebben gekend, maar die
dan ook voldoende is geweest om
onze Vlaamse volksgemeenschap
een blijvende schade toe te bren
gen die trouwens een groot aan
deel heeft gehad in de bekrompen
voorwaarden waarin ons volk zich
heeft moeten ontwikkelen. Wij be
doelen hier de massale uitwijking
van Zuid - Nederlanders naar
Noord-Nederland in de tijd van de
Hervorming.
Onder de druk van de godsdiens
tige tegenstellingen, door het slui
ten van de Antwerpse haven, die
toenderthd wellicht één der be
langrijkste was van heel de wereld
en nog andere oorzaken zijn heel
wat vooraanstaande intellectuelen,
handelslui, kunstenaars, enz. over
de Moerdijk getrokken. En dat het
Noorden sinsdien het Zuiden is
voorbijgestreefd is wel voor groot
deel aan die uitwijking te wijten.
Het gevaar dat uitwijking een
verlies zou kunnen zijn voor de
volksgemeenschap of voor de staat
is dus zeker niet denkbeeldig, zeker
niet als ze op grote schaal zou plaats
vinden. Maar dat gevaar bestaat
niet als het gaat om overbodigen,
althans niet wanneer de achterblij-
venden wat meer ruimte krijgen.
Trouwens in de gegeven omstan
digheden is geen massale uitwij
king meer mogelijk en hoeft men er
dus ook niet meer voor bevreesd te
zijn, tenzij men ze zelf zou uitlok
ken, zoals het de laatste jaren om
politieke redenen wel eens ge
beurd is.
Nog een ander gezichtspunt werd
te Lier naar voor gebracht. Er werd
namelijk gewezen op de demogra-
frische toestand van België, ttz. de
ontwikkeling van het bevolkings
cijfer. Het valt niet te ontkennen dat
onze bevolking stelselmatig verou-
dért en dat de luttele overschot die
wij heden nog hebben meer te dan
ken is aan betere gezondheidszor
gen dan aan hoge geboortecijfers.
Vlaanderen slaat nog een betrek
kelijk goed figuur, maar de toe
stand in Wallonië en Brussel is
waarlijk angstwekkend.
Men heeft berekend dat, in het
geval dat de ontwikkeling van onze
bevolking zich voltrekt in het tem
po dat wij nu kennen, België in
1980, dus binnen een 25 jaar, 1 mil-
lioen inwoners minder zal hebben
dan nu. Met daarbij de economisch
zo zware toestand dat de bevol
king voor een aanzienlijk deel zal
bestaan uit onproductieve ouder
lingen, die zullen moeten onder
steund worden.
Ook hier kan een grond gevon
den worden voor de afzijdige hou
ding van de overheid. Ze kan re
deneren dat het volk voor eigen
land moet bewaard blijven, daar
in de toekomst de bevolking aan
zienlijk zal verminderen. Onafge-
zien van het feit dat alle bereke
ningen over menselijke waarden
en gedragingen vatbaar zijn voor
vergissingen en onvoorziene om
standigheden, willen wij er op wij
zen dat in deze redenering een
grote fout zou kunnen schuilen. In
een land met te weinig levensruim
te is er geen plaats meer voor kin
deren en ze worden dan ook niet
gewenst. Moest Nederland bv. die
honderdduizenden in eigen land
hebben vastgehouden, wie zal zeg
gen hoelang die huidige bevol
kingsaanwas nog zougeduurd heb
ben. Is het vrijmaken van meer
ruimte juist geen mogelijkheid tot
een hernieuwde bevolkingsaan-
groei
Men ziet, er zijn wel argumenten
te vinden waarin onze overheid
een reden kan ontdekken voor
haar afwijzende houding.
Wij kunnen wel toegeven dat
uitwijking een verlies zou kunnen
zijn. Een andere vraag is echter
is uitwijking voor België, in de hui
dige omstandigheden noodzakelijk
een verliès Wij menen van niet
en wel om volgende redenen
De uitwijking kan derwijze wor
den georganiseerd dat alleen zij,
die overbodig zijn, zij die geen
plaats vinden in hun vaderland,
een werkkring gaan zoeken in de
vreemde. Vermits men ze hier niet
kan gebruiken of althans geen
plaats kan geven, die met hun mo
gelijkheden overeenstemt, lijkt
er ons weinig verlies aan vast te
zitten als zulke mensen vertrekken.
Dat er geen overbodige mensen
zijn in ons land Dat zouden wij
maar al te graag aannemen. Maar
dat kunnen wij niet zolang de re
gering geen kans ziet een oplos
sing te vinden voor het vraagstuk
van de werkloosheid, van de kleine
landbouwbedrijven, van de over
bezetting van de middenstand, van
het verschijnsel van de gedwongen
landvlucht, enz.
Nederland kent voor het ogen
blik weinig of geen werkeloosheid.
Maar wij vragen ons af of dat ook
zo zou geweest zijn, moesten die
honderdduizenden, die sinds de
laatste oorlog zijn vertrokken, in
Nederland waren gebleven. Indien
het waar is dat België zijn eigen
mensen zelf nodig heeft, welnu dat
men ze dan gebruike. Maar niet
om te gaan stempelen, maar om
productieve arbeid ie leveren.
En dat men in de toekomst zou
behoefte hebben aan wat men nu
te veel heeft is mogelijk. Maar men
behoudt dat teveel niet op de ma
nier zoals men het nu van plan
schijnt te zijn. Wil men een volk in
stand houden, wil men het zien
groeien, dan moet het kunnen ar
beiden. Arbeiden over de ganse
lijn en arbeiden op zijnvolle kracht.
Kan men geen arbeid geven dan
heeft men ook niet het recht zij die
willen uitwijken te remmen.
Ten slotte dient opgemerkt dat
wij ons met klem moeten verzetten
tegen de opvatting dat Vlaanderen
de reserve zou moeten vormen
voor de rest van België. Als men nu
toch spreekt van een verlies voor
de volksgemeenschap dan kunnen
wij er de nadruk op leggen dat in
de huidige omstandigheden bijna
ieder Vlaming die naar Brussel of
naar Wallonië uitwijkt verloren
dreigt te gaan voor onze eigen
volksgemeenschap. Dat uitwijking
van Vlamingen naar de vreemde
een verlies zou kunnen betekenen,
waar zij de gedunde Waalse en
Brusselse gelederen niet meer zou
den aanvullen, dat geven wij graag
toe. Maar dat hoeven wij nu niet
precies als een verlies voor onze
Vlaamse volksgemeenschap te
aanzien.
Trouwens gezien in een algeme
ner kader Nederland bv. aanziet
de uitwijking niet als een verlies.
Op het internationaal congres dat
te Breda over de uitwijking werd
gehouden dierf men zelf te spre
ken over een winst. En dat is inder
daad niet uitgesloten.
Te Lier o.a. werd gesproken over
uitwijkelingen als ambassadeurs.
Inderdaad. Wat al mogelijkheden
kunnen er in .liggen, mogelijkhe
den op cultureel en op economisch
gebied, wanneer in bepaalde lan
den, die nu volop in ontwikkeling
zijn en die nog behoefte hebben
aan talrijke culturele en econo
mische betrekkingen, talrijke men
sen wonen van ons eigen volk
Er werd gewezen op de mogelijk
heid dat in die vreemde landen de
inwijkelingen zouden kunnen over
gaan tot het oprichten van speci
fieke nijverheden uit hun moeder
land, die zich dan als concurren
ten tegen ons zouden keren. Maar
deze vrees lijkt ons alleen gewet
tigd als wij een uitwijking zouden
krijgen van industriëlen en derge
lijke. Dat is minder te vrezen op het
terrein dat ons hier bekommertde
boeren en de werklieden en de
middenstand. Hoewel mentoch ge
vallen kan aanhalen, zoals bv. de
witloofcultuur in Frankrijk.
Dat de uitwijkelingen een nade
lige invloed zouden kunnen uitoe
fenen op de betrekkingen tussen
het oude en nieuwe vaderland is
mogelijk, maar niet noodzakelijk.
Zo werd er wel als voorbeeld aan
gehaald de negatieve invloed die
de verbannen aktivisten na 1918
hebben uitgeoefend op de betrek
kingen tussen Nederland en Bel
gië. Maar dat is toch een heel an
dere kwestie. Deze mensen droe
gen hun vaderland zeker niet in
hun hart. En dat na de 2de wereld-
BINNENLAND.
De begroting van landbouw
in de senaatscommissie.
Bij de bespreking der begroting
van zijn Departement in de se
naatscommissie, deelde Minister
Lefebvre mede dat hij zijn adminis
tratie ging hervormen om de voor-
lichtings diensten nauwer in be
trekking te brengen met de land
bouwers, zulks zonder evenwel het
aantal ambtenaren te verhogen.
Wat de bestrijding der veeziek
ten betreft, stelde de minister zich
de vraag of ook in België, ter be
strijding van het mond- en klauw
zeer, de verplichte afmaking der
dieren in de haarden niet zou die
nen toegepast, om de uitbreiding
der ziekte radikaal te keer te gaan
en aan bepaalde vreemde landen
het voorwendsel te ontnemen om
onze uitvoer te verhinderen zoge
zegd om gezondheidsredenen.
Ter bestrijding van de runder-
tuberculose ziet de minister een
afdoende middel in de verplichte
afslachting van de aangetaste die
ren.
Het Ministerie van Landbouw
zal het melkverbruik blijven aan
moedigen en er naar streven de
verkoop van melk in flessen in de
grote centra verplichtend te ma
ken, terwijl de voortbrengers toch
onder zekere voorwaarden de
melk voortgebracht in hun eigen
bedrijf kunnen blijven verkopen.
Inzake de snijbloemen verklaar
de de Minister dat het voorlopig
regime dat sinds twee jaren in
zwang is de eindvervaldag bena
dert. Het vraagstuk wordt thans
onderzocht door de bevoegde Be-
neluxcommissie. Volgens de jong
ste inlichtingen werd volgend
voorstel gedaan voor 1955 zou
het Hollands invoercontingent be
paald worden op 60 van de in
voer tijdens de jaren 1952-53. De
daarop volgende jaren zou het
contingent geleidelijk verhoogd
worden om 100 te bereiken. De
heflingei zullen gedurende drie
jaren behouden blijven. De op
brengst ervan zal in gelijke delen
verdeeld worden tussen Nederland
en België. Na de drie bedoelde
jaren zullen ook de minimumprij
zen afgeschaft worden.
Wat de tabaksteelt betreft, kon
digde de minister aan dat het in
zijn bedoeling ligt de toelagen aan
de tabakteelt af te schaffen, daar
oorlog weerom talrijke mensen de
zelfde weg zijn moeten opgaan zou
kunnen dezelfde gevolgen hebben.
Maar niemand zal beweren dat
dit een gewenste vorm van uitwij
king is geweest. Tussen haakjes is
dat trouwens de enige vorm die
onze overheid heeft aangemoe
digd. En op wat voor een manier
Bij een goed georganiseerde uit
wijking spant het moederland zich
in om in de echte zin van het woord
een moederland te blijven. Men
verleent de nodige hulp en men
blijft nadien nog in verbinding op
een wijze zoals van een moeder
kan worden verwacht. Uitwijke
lingen zijn geen bannelingen. En
wanneer op allerlei gebied een
band blijft bestaan, en hier ligt
zeker een positieve taak voor onze
overheid, dan kunnen wij ons moei
lijk voorstellen dat onze uitwijke
lingen slechte ambassadeurs zou
den zijn.
Het vraagstuk van de uitwijking
moet ook nog gezien worden van
uit het standpunt van deze die uit
wijkt. Dat zullen wij echter volgen
de week bespreken.
deze toelagen, naar zijn mening,
geen oplossing bieden voor het be
houd van deze teelt in ons land.
Een verplichte inmenging van in
landse tabak zou kunnen onder
zocht worden.
Bij de bespreking bepleitte de
heer R. Desmedt de belangen van
de cichoreikwekers. De heer Mullie
betoogde dat de enige manier om
de tabaksteelt te redden de verho
ging of perekwatie is van het tol
recht. Vóór de oorlog bedroeg dit
tolrecht 5 fr. per kg. Sedert 1947
heeft men het verlaagd tot 4,13 fr.
per kg., in plaats van het aan te
pussen aan de waardeverminde
ring onzer munt en het ten minste
te brengen op 15 fr.
Wat de snijbloemen betreft, wees
de heer Mullie er op dat deze be
drijfstak het bestaan verzekert aan
ongeveer 5.000 gezinnen. Het voor
stel van de Beneluxcommissie aan
vaarden betekent de ondergang
dezer gezinnen. De heer Mullie
vroeg ook bijzondere aandacht van
de minister voor het vleesvraag-
stuk. De vleesproductie dekt op dit
ogenblik reeds de binnenlandse
behoefte, zodat eerstdaags uitvoer
noodzakelijk wordt. Na een tussen
komst van de heer De Coene over
de veeverbetering en van de ver
slaggever Bouilly over een mogelijk
ke vermindering van de accijns
rechten op tabak, werd de alge
mene bespreking gesloten.
De senaatscommissie zal toeko
mende week een bezoek brengen
aan de ontginningswerken in de
Kempen en over veertien dagen
de be ;preking voortzetten.
Invoer van appelen en peren
uit Nederland geschorst.
Volgens een bericht van het Al
gemeen Nederlands Persbureau,
werd met ingang van 14 October
1.1. de uitvoer van Nederlandse
peren en appelen naar België stop
gezet. Deze maatregel geldt echter
niet bij de appelen voor de varië
teit Cox Orange Peppin en bij de
peren voor de variëteit Conférance.
Deze soorten mogen wel naar Bel
gië worden uitgevoerd.
Deze schorsing van de invoer in
België werd toegepast bij uitvoering
van het landbouwprotocol dat toe
laat aan België de invoer stop te
zetten, wanneer de prijzen voor
appelen en peren zijn gedaald be
neden de minimumprijzen die daar
voor zijn vastgesteld.